Sla inhoud over

De eerwraakmoord

De onderzoekstechniek is de laatste jaren zo verfijnd dat uit minieme sporen nog informatie te achterhalen is. Dat heeft consequenties voor de afzetting van een plaats delict: de omvang daarvan is standaard veel ruimer geworden. Een ruimere afzetting onttrekt bovendien eventuele slachtoffers aan het zicht van nieuwsgierigen. In de hieronder beschreven oude zaak, waarbij vuurwapens zijn gebruikt op de openbare weg, zou tegenwoordig minstens de complete kruising worden afgezet. Het is immers onmogelijk om op het eerste gezicht vast te stellen waar de kogels en hulzen zijn terechtgekomen.

Op een regenachtige januarimiddag in 1982 haalt Mehmet D. zijn vader op van zijn werk. Onderweg moeten ze stoppen voor een verkeerslicht. Achter hen stopt een Ford Taunus. Een man stapt uit, vuurt elf kogels af op D.’s auto en vlucht te voet. Vader D. is op slag dood, zijn zoon blijft ongedeerd. De technische recherche vindt op de kruising patroonhulzen. Het blijkt dat deze hulzen zijn verschoten met twee verschillende wapens van hetzelfde kaliber. Al snel ontvouwt zich een voor Nederlandse begrippen ongebruikelijk verhaal. D. zou verwikkeld zijn in een familievete met een andere Turkse familie. Het laatste slachtoffer in die vete is een Turkse bakker. Het gerucht gaat dat D. hiervoor verantwoordelijk is.

Na de executie van zijn vader identificeert Mehmet D. de broer van de vermoorde bakker, Hassan A., als de schutter. Die wordt twee dagen later aangehouden. A. ontkent de vete tussen de twee families, en beweert tijdens de moord op D. in België te hebben gezeten. Dat klopt niet: in zijn zak vindt de politie het treinkaartje waaruit blijkt dat hij pas ná de schietpartij in de trein is gestapt.
DNA-techniek, die de verdachte in de Ford Taunus zou kunnen plaatsen, is in 1982 nog onbekend. Het enige spoor dat naar een dader zou kunnen leiden, is een handpalmafdruk naast het dashboardkastje in de auto. De database HAVANK bestaat nog niet, maar gelukkig is er al een verdachte om het dactyspoor mee te vergelijken. De handpalmafdruk is inderdaad van A.

Diens advocaat neemt daar geen genoegen mee. De auto is maanden daarvoor verkocht op een openbare automarkt, dus A. zou toen zijn afdruk in de auto achtergelaten kunnen hebben tijdens een proefrit. De advocaat roept de contra-expertise in van het NFI: een primeur in Nederland. Hij vraagt de NFI-experts specifiek of zij kunnen vaststellen hoe oud het handpalmspoor is, heel goed wetende dat dat onmogelijk is. Het dactyspoor alleen is dus niet voldoende bewijs dat de verdachte op de dag van de schietpartij in de auto zat.
Toch wordt A. op basis van het bewijs en zijn leugen over het verblijf in België veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf. Hij blijft volhouden onschuldig te zijn.


 .

 .