Sla inhoud over

Onderzoekstechniek: Forensisch entomologisch onderzoek - Allemaal beestjes

Met zwaailichten en loeiende sirenes rukt de politie uit naar een plaats delict met een dodelijk slachtoffer. Toch zijn ze er in warme jaargetijden nooit als eerste: insecten winnen die race. Direct na het overlijden, en soms zelfs al iets eerder, scheiden dieren en mensen een geur af die bromvliegen van grote afstand kunnen ruiken. Zodra ze hun prooi gevonden hebben, beginnen ze met het leggen van eitjes. Dat is de start van een proces waaruit de forensisch entomoloog belangrijke informatie kan destilleren over het tijdstip van overlijden.

De natuur houdt van opgeruimd-staat-netjes en heeft een uitgekiend recyclingsysteem bedacht. Organische stoffelijke resten worden weggewerkt door teams van beestjes die ieder hun eigen specialisme hebben. Ze rukken in opeenvolgende ploegendiensten aan. Aan de hand van deze zogenaamde ecologische successie van insecten op en rond een slachtoffer kan de forensisch entomoloog onder meer het postmortale interval (pmi) bepalen. Dat is de tijd die verstreken is sinds het tijdstip van overlijden. Het vaststellen van dat tijdstip is het primaire doel van de forensische entomologie.

Forensische entomologie is insectenkunde ten behoeve van de rechtsgang.  De belangrijkste informant van de forensisch entomoloog zijn de leden van de Calliphoridae-familie, ofwel de huis-tuin-en-keukenbromvlieg. Als je op een warme zomerdag rauw vlees onafgedekt op het aanrecht laat staan, zitten er al binnen een paar minuten vliegen op.  De glanzend blauwe en groene vliegen vormen de eerste opruimploeg. Ze leggen eitjes in kadavers; de maden die daar uitkruipen eten het zachte weefsel op. In de tweede schoonmaakploeg (twee tot vier weken na het overlijden) zitten onder meer kaasvliegen, die vet opruimen. Vanaf de vierde week verschijnen de Necrobia (koprakevers) en spektorren, die van botten leven. Na enige jaren pas komen er kleermotten af op de haren. Bij begraven slachtoffers doen weer andere beestjes dienst, bijvoorbeeld een insect dat in Engeland heel toepasselijk coffin fly (doodskistvlieg) wordt genoemd.

Hoe eerder de technische recherche bij het slachtoffer is, hoe betrouwbaarder de uitspraken over het pmi. In de eerste weken kan de forensisch entomoloog die namelijk vaststellen op grond van de veilig gestelde eitjes en maden. De metamorfose die de bromvlieg doormaakt van ei tot insect duurt onder normale omstandigheden twee tot drie weken. Die ontwikkeling wordt beïnvloed door externe factoren als het temperatuurverloop of de mate van zon en schaduw. Aan de hand van al deze gegevens doet de forensische entomoloog een uitspraak over het pmi. Na twee tot drie weken zijn alle eitjes uitgekomen en de bromvliegen weggevlogen naar een ander kadaver. Dan valt er alleen aan de hand van andere aangetroffen insecten nog een grove schatting te maken over de tijd die verstreken is. Voor de bewijsvoering is deze informatie niet altijd te gebruiken. De opeenvolging van insecten kan vaak wel nuttige informatie opleveren voor het tactisch onderzoek. De afwezigheid van insecten is soms net zo veelzeggend als de aanwezigheid ervan. Als een stoffelijk overschot lange tijd op een warme plek gelegen heeft en géén of slechts heel weinig insecten vertoont, is dat een belangrijke aanwijzing. Het slachtoffer is dan waarschijnlijk afgedekt geweest. Ook de vondst van ‘verkeerde’ insecten kan een aanwijzing zijn. De groene bromvlieg Lucilia houdt van open, warme plaatsen. Tref je haar eitjes, poppen of maden aan op een slachtoffer in een koele, afgesloten ruimte, dan is het lichaam waarschijnlijk verplaatst. Forensische entomologie kan bewijs opleveren tegen een verdachte, of hem juist vrijspreken. De vondst van bepaalde beestjes op bijvoorbeeld zijn kleren kan betekenen dat hij al dan niet op een bepaalde tijd op het plaats delict is geweest.

Verwante onderwerpen

 .

 .